Jezus zegt: “Zalig de reinen van hart.” Mattheüs 5:8. Psalm 24:3-4 leert: “ Wie mag de berg des Heren beklimmen, wie mag staan in zijn heilige stede. Die zuiver van hart is, die rein is van handen, die zijn ziel niet op valsheden richt noch bedrieglijk zweert.”
Voor ieder die de Schrift regelmatig leest moet het duidelijk zijn wat voor een soort persoon iemand is die voor God mag verschijnen. Want God is heilig en vraagt dat wij onszelf zouden heiligen om tot Hem te naderen. “Maar gelijk Hij, die u geroepen heeft, heilig is, wordt zo ook gijzelf heilig in al uw wandel; er staat immers geschreven: Weest heilig, want Ik ben heilig. 1Pet.1: 15-16. Jakobus schreef: “Zuivere en onbevlekte godsdienst voor God de Vader is, omzien naar wezen en weduwen in hun druk en zichzelf onbesmet van de wereld te bewaren.” 1:27. Ook Paulus in Rom.12:1-2 stelt: “onze lichamen tot een levend, heilig en Gode welgevallig offer te stellen. Dit is uw redelijke eredienst.” Jezus leert: “Niemand steekt een lamp aan en zet die in de kelder of onder de korenmaat, maar op de standaard, opdat wie binnentreden het licht zien. De lamp van het lichaam is uw oog. Indien dan uw oog zuiver is, is ook uw gehele lichaam verlicht, maar wanneer het slecht is, is ook uw lichaam duister. Zie dan toe, dat wat licht in u is niet duisternis zij. Indien dan uw lichaam geheel verlicht en geen deel duister is, zal het geheel verlicht zijn, evenals wanneer de lamp u met haar schijnsel verlicht.” Lk.11:33-36. Jezus leert ons hoe wij licht kunnen zijn in deze wereld. Het is niet gemakkelijk en vereist dat wij op ons zelf toezien om geheel verlicht te zijn. Het licht dat ons verlicht en waarvan wij mogen getuigen is Jezus. Hij zegt: “Ik ben het licht der wereld; wie Mij volgt, zal nimmer in de duisternis wandelen, maar hij zal het licht des levens hebben.” Joh.8:12; 9:5 Daarom zal in de mate dat Christus in ons leeft en wij klaar staan om voor God te verschijnen, Jezus het licht zijn dat in onze harten schijnt en dat ons lichaam verlicht.
De profeet Samuël kreeg van de Here de opdracht Saul tot koning te zalven voor Israël: “Ga niet af op zijn voorkomen en op zijn rijzige gestalte, want Ik heb hem afgewezen; Het komt immers niet aan op wat de mens ziet, de mens ziet aan wat voor ogen is, maar de Here ziet het hart aan.” 1Sam.16:7. Samuël moest van Godswege Saul zalven, ondanks dat Saul later verworpen zou worden. Gods wegen zijn wonderbaar zoals Hij openbaart: “Want mijn gedachten zijn niet uw gedachten en uw wegen zijn niet mijn wegen, luidt het woord des Heren.” Jes.55:8. Jezus vermaande de farizeeërs: “Gij zijt het die voor rechtvaardig wilt doorgaan voor de mensen, maar God kent uw harten.” Luk.16:15; zie Ps.7:9-10. Met Saul wil God leren dat zelfs koningen trouw en rein van hart moeten zijn voor God, en niet voor het oog der mensen. 1Thes.2:4; Gal.1:10.
Jezus kende gedachten van de mensen. Hij wist wat in hun harten leefden, en natuurlijk ook wat vandaag in onze harten leeft en of wij Hem trouw zullen blijven. “Want alle dingen liggen open en ontbloot voor de ogen van Hem, voor wie wij rekenschap hebben af te leggen.” zegt Heb.4:13. “Met het hart,” duidt de Schrift aan wat binnenin onze geest omgaat. Immers, God is het die ons schiep waardoor Hij “verlangt met jaloersheid naar onze geest die Hij in ons deed wonen.” Jak.4:5. Vaak wordt jaloersheid als een slechte eigenschap gezien. Maar dat is zij niet indien de jaloersheid rechtmatig is. Bvb. In het voor God heilige huwelijk, is ontrouw de aanleiding voor rechtmatige jaloersheid. Het afvallige en ongelovige volk van Israël wordt in de Schrift aangeklaagd als een ontrouwe vrouw die haar man verliet. Mal.2:10-16. Sinds de doop is men als lid van Christus gemeente, getrouwd geworden aan Christus. “Want met een ijver Gods waak ik over u, want ik heb u verbonden aan een man, om u als een reine maagd voor Christus te stellen. Maar ik vrees, dat misschien, zoals de slang met haar sluwheid Eva verleidde, uw gedachten van de eenvoudige en loutere toewijding aan Christus afgetrokken zullen worden.” 2Cor.11:2.
Zo is te verstaan dat ontrouw aan Christus op het geestelijke vlak, een heilige jaloersheid bij God veroorzaakt. Ons hart of onze geest moet beheerst worden door liefde, reinheid en heiligheid tot God. Ieder mens die zich anders voordoet dan dat men is, wordt in de Schrift een huichelaar genoemd. Bvb. Mat.23:25-33. Maar ook een ieder die een ander evangelie dan dat van Jezus zal verkondigden of aanhangen is reeds veroordeeld. Mat.7:13-23; Titus 3:10-11.
Reinheid van hart, gaat samen met het volgen van de zuivere leer van Jezus. Aan de vruchten zal men de boom herkennen. Vandaar dat Jezus als het belangrijkste gebod noemt. “Gij zult de Here uw God liefhebben uit geheel uw hart en uit geheel uw ziel en uit geheel uw verstand en uit geheel uw kracht.” Mar.12:30. Timotheüs ontving de raad: “Schuw de begeerten der jeugd en jaag naar de gerechtigheid, naar trouw, naar liefde en vrede met hen die de Here aanroepen uit een rein hart. 2Tim.2:22.
Reinheid van hart leidt naar de toewijding om het goede van Gods wil te doen. Maar nu het duidelijk wordt hoe steeds meer het zuivere christelijke geloof bestreden wordt, door de leugen van de antichrist, wordt geloof hebben een strijd, waarbij indien men niet oppast, bij wijze van spreken voor de leeuwen wordt geworpen. Broeders, zusters, wij leden van Christus Gemeente zijn het kleine kuddeke dat weersproken wordt over heel de wereld. Zie Hand.28:22; 24:5, 14-16; 20:28-30. Maar Jezus zegt: “Wees niet bevreesd, gij klein kuddeke! Want het heeft uw Vader behaagd u het Koninkrijk te geven.” Luk.12:32. Het goede willen doen voor God wegens het geloof in Jezus, is meer dan alleen goede werken doen, meer dan het uitvoeren van een of andere sociale bezigheid. Het humanisme doet immers ook goede werken, echter zonder in God te geloven. Dit kan gaan van zich op te offeren voor een zaak, profetische gaven zou hebben en alle geloof hebben dat bergen verzet. Men kan menen dat men God dient, aanbidt en liefheeft, maar Jezus leert, dat indien men zijn evangelie afwijst, dat dan zeker is, dat men nog de Vader nog de Zoon liefheeft. Joh.3:35-36; 5:23, 30-47; 8:45-47, 51. Zie Mat.7:21-23!
God liefhebben, is onverbrekelijk verbonden met het echte deelhebben aan de leer van Jezus Christus, en die leer is naar het heilige voornemen van God van voor de schepping. Ef.1:4. Jakobus leert: “Onderwerpt u aan God, maar biedt weerstand aan de duivel, en hij zal van u vlieden. Nadert tot God en Hij zal tot u naderen. Reinigt uw handen zondaars en zuivert uw harten, gij die innerlijk verdeeld zijt.” Jak.4:7-8. Jezus zei: “Niemand kan twee heren dienen…”Mat.6:24; Luk.16:13; Gal.1:10; 1Joh.2:15-17.
Stel uzelf deze moeilijke vraag: “Verlang ik het goede van God te doen, ook al zal er geen beloning voor zijn en er geen straf zou volgen voor het doen van iets anders? Het willen van het goede te doen wordt onzuiver wanneer het verlangen naar de beloning groter is dan het goede van God te willen doen. Rein van hart zijn gaat in de eerste plaats om in waarheid oprecht verlangen naar God om zijn wil te doen in geloof. Want wat zou een mens God terug kunnen geven? God geloven is een morele keuze, wegens het verkregen inzicht van het volmaakte van Gods liefde, goedheid en wil. Van waaruit zijn barmhartigheid, genade, en rechtvaardiging en heiligheid voortvloeien, voor allen die geloof in Jezus hebben. Het reine hart zal zeggen: Ja, ik verlang om God lief te hebben, ik verlang naar het heilige, het rechtvaardige van zijn vergeving van zonden, meer dan een beloning. Rom.5:5. Paulus schreef: “En Hij, onze Here Jezus Christus, en God, onze Vader, die ons heeft liefgehad en ons eeuwige troost en goede hoop door zijn genade verleend heeft, trooste uw harten, en make ze sterk in alle goed werk en woord… “De Here neige uw harten tot de liefde Gods en tot de volharding van Christus.” 2Thes.2:16-17; 3:5.
Broeders, zusters, laten wij met David bidden; Psalm 51:12-15:
“Schep mij een rein hart o God, en vernieuw in mijn binnenste een vaste geest;
verwerp mij niet van uw aangezicht,en neem uw heilige Geest niet van mij;
hergeef mij de blijdschap over uw heil, en laat een gewillige geest mij schragen,
Dan zal ik overtreders uw wegen leren, opdat zondaars zich tot U bekeren.”





