Het christenzionisme

Last update:: 30.07.2025

Het christenzionisme heeft onder de protestants-evangelische gelovigen een stijgende aanhang gekregen wegens de toenemende politieke onrust in Palestina. Deze leer stelt dat God nog een speciaal voornemen heeft in de toekomst met het Joodse volk waarbij deze zich massaal zouden bekeren bij de terugkomst van Jezus. Deze zouden dan een letterlijk duizendjarig rijk oprich­ten met de heropbouw van een tempel te Jeruzalem en ook stad en land, waarin opnieuw de oudtestamentische beloften vervuld zouden worden.

Deze lering richt zich tegen de Gemeente van Christus. Het tijdschrift “Profetisch Perspectief” nr. 34 van Feb.- Maart 2002 blz.21, beweert: “Dat christenen die andersdenkend zijn, een dwaling veroorzaken, die de oorzaak is van het leed der Joden!” De Gemeente van Christus, omdat zij andersdenkend is, wordt hierdoor een sekte genoemd en hun leer een “vervangingsleer;” Omdat het Joodse volk verworpen zou zijn van hun uitverkoren positie als volk van God, en door hun leer het Joodse volk willen verdringen van hun plaats! Ook bewe­ren zij dat het Nieuwe Verbond primair met de Joden is gesloten, maar niet met de niet-Joden! Jezus zou de koning van Israël zijn, maar niet van de Gemeente! Het christenzionisme draagt in zich een Calvinistisch denken ivm. genade en uitverkiezing, en een ongeestelijk lezen van het Nieuwe en Oude Testament, waardoor de Schrift wordt gelezen met een sluier, of met de bril van het Oude Verbond, net zoals onbekeerde Joden dat nog doen. 2Kor.3:14-16.

Het zou toch allang duidelijk moeten zijn, dat God “in het laatste der dagen” tot ons gespro­ken heeft in de Zoon, en dat bij de uitstorting van de Heilige Geest, de  apostelen de oud testamentische profetieën openbaarden in verband met de Messias, die voorheen onbegrepen waren, en waardoor vele Joden Jezus niet herkenden als de Messias en Zoon van God toen zij Hem gekruisigd hadden. Zie Hand.3:17-19; Ef.3:1-13; Luk.23:34; 1Pet.1:10-12. Het lezen van heel de Schrift moet daarom in het licht der openbaring van de Geest van het Nieuwe Verbond van Christus Jezus zijn, waarvan de wet, Psalmen, profeten en de apostelen getuigen, en waardoor: “…wij het geestelijke met het geestelijke  vergelijken”. Zie; 1Kor.2:12-16; Mat.13:34-35; Ps.78:2. Iedereen die oprecht wil vergelijken op welke wijze de apostelen de profetieën van het Oude Verbond verklaren, zal inzien dat dit de waarheid is. Dat vergt wel heel wat studie, maar voor wie de waarheid zoekt zal dat geen probleem mogen zijn.

Het christenzionisme

Jezus de voleinder van het geloof. Heb.12:2.

Jezus is bij de voleinding der eeuwen verschenen om door zijn offer de zonde weg te doen. Heb.9:26. Derhalve zijn alle heilsbeloften in het Oude Testament, in en door Jezus Christus vervuld: “Want hoeveel beloften Gods er ook zijn, in Hem is het ja; daarom is ook door Hem het amen, tot heerlijkheid van God door ons.”2Kor.1:20. En: ”dat Christus een dienstknecht (Jes.49:1-7.) van de besnijdenis is geworden, ter wille van de waarheid van God, om de belof­ten van de vaderen te bevestigen, en opdat de volken God verheerlijken wegens de barmhar­tigheid, zoals geschreven staat”. Zie Rom.15:8-13; 2Sam.22:50; Ps.18:50; 117:1; Deut.32:43; Jes.11:10. Jezus heeft de beloften aan de vaderen komen waarmaken, vervullen en bevestigen. Mat.5:17. “Dat God de belofte aan de vaderen heeft vervuld aan ons, hun kinderen, door Jezus te verwekken zoals in de tweede Psalm staat.” Zie Hand.3:18-26; 13:26-32-41; Ps.2:2-7;Hab.1:5.

Velen beweren dat niet alles vervuld zou zijn door Jezus. En plaatsen daardoor vele OT. profetieën nog in de toekomst, want Jezus zou volgens hen niet alles volbracht hebben. Hij zou nog niet de heersende koning zijn van zijn koninkrijk.

Maar Jezus zei: “dat Hij het werk heeft voleindigd, dat de Vader Hem te doen had gegeven”. Zie Joh.17:4; 4:34; 5:36-47; Jes.42:1-7; Mat.3:17; Ef.4:10. Aan het kruis riep Jezus; “Het is volbracht”. Joh.19:30. Wie wenst men te geloven? Immers; “Jezus heerst als koning totdat zijn vijanden gelegd worden tot een voetbank voor zijn voeten.” Ps.110:1; 1Kor.15:25; Heb.1:13; 10:13. Zodat bij Jezus wederkomst, zijn oordelen openbaar zullen worden. Zie Heb.9:27-28; Mat.25:31-33.

Het Nieuwe Verbond.

De Schrift leert, “dat men niet door vergankelijke dingen verlost is van de onvruchtbare, door de vaderen overgeleverde wandel, maar door het kostbare bloed van Jezus als van een vlekkeloos en onbesmet Lam, voorgekend sinds de grondlegging der wereld.” 1Pt.1:19-20. Zoals het Oude Verbond onder Mozes werd bekrachtigd, door de boekrol, de tabernakel en het gerei van het tabernakel te besprenkelen met bloed, zo heeft ook Jezus zijn Nieuw Verbond bekrachtigd met zijn bloed. Zie Heb.9:9-28; Ex.24:6-8. Jezus zei: “Dit is het bloed van mijn verbond dat voor velen vergoten wordt. Mar.14:24; 1Kor.11:25. Dat wat bekrachtigd is, is van toepassing en werkzaam in allen die van Christus zijn.

Indien iemand vandaag stelt, dat op een of andere wijze er geen werkzaam Nieuw Verbond zou zijn, beperkt in tijd, plaats of in personen, die begrijpt Jezus Christus Nieuwe Verbond niet. Wie geen deel heeft aan Jezus Verbond, kan niet behouden zijn door Jezus bloed, en heeft dan ook geen vergeving van zonden. Voor wie is Jezus gestorven? Alleen voor de Joden? Of ook voor de niet-Joden? Zie 1Joh.2:2; Jezus is (perfectum) het Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt.” Joh.1:29.

Mozes was de middelaar van het Oude Verbond, maar Jezus is Middelaar van zijn Nieuw Verbond. Heb.12 :24. Waardoor: Buiten Christus er geen heil is, zowel voor de Joden als de volken. Immers: “ En in niemand anders is de behoudenis; want er is ook onder de hemel geen andere naam onder de mensen gegeven waardoor wij behouden worden”. Hand.4:12.

In Psalm 95:7-8,11 spreekt David, eeuwen nadat ongelovig Israël niet een rust kon ingaan, opnieuw van een dag om een rust in te gaan die in het heden ligt, dat is de dag waarop zij Jezus stem zullen horen en volgen. Derhalve is er nog een belofte van tot zijn rust in te gaan, de Goddelijke rust in de hemel weggelegd voor hen die Jezus heden geloven en gehoorzamen. Daarom geldt de waarschuwing: “Heden indien gij zijn stem hoort, verhard uw harten niet.” Jozua heeft Israël niet in die rust gebracht, want dan had God niet van een latere dag gespro­ken die komen zou. Heb.4: 1-3-7-8-11. Jezus zei; “Komt allen tot Mij die vermoeit en belast bent, en Ik zal u rust geven.” Mat.11:28-30; Jes.30:15; 32:17-18; Jer.31:2.

Diepzinnig is Jezus hogepriesterschap in zijn verbond met de vervulling van de rust die volgt uit: “Heden indien gij zijn stem hoort verhard uw harten niet.” Want God heeft zijn Zoon die eer toegekend hogepriester te worden; “Mijn Zoon zijt Gij, Ik heb U heden verwekt.” Ps.2:7; Hand.13:33; Heb.5:5: En; ”De Here heeft gezworen en het berouwt Hem niet: Gij zijt priester in eeuwigheid naar de ordening van Melchizédek. Ps.110:4; Heb.5:6. En: “Stelt de eedzwering die na de wet gekomen is, de Zoon als priester die tot in eeuwigheid volmaakt is.” Heb.7:28. Wanneer Hij bij zijn komen in de wereld zei: “Slachtoffers, offeranden en zond-offers hebt U niet gewild… Ik kom, in de boekrol is van Mij geschreven, om uw wil te doen, o, God.” dan neemt Hij het eerste weg, (dit zijn naar de wet van het Oude Verbond geofferde offeranden.Heb.7:18-19) om het tweede te stellen. (= Nieuwe Verbond) Dat door die wil, wij geheiligd zijn door middel van de offerande van het lichaam van Jezus Christus, eens voor altijd.”Zie Heb.10:4-10,12-18; Ps.40:7-9. En waarvan Rom.11:26-27 stelt: “Uit Sion zal de Redder komen; Hij zal de goddeloosheden van Jacob afwenden. En dit is voor hen het verbond mijnerzijds, wanneer Ik hun zonden zal wegnemen.”

Zie  Jer.31:33-34; Jes.55:3-5; 59:20-21; 61:8-9. Vgl. Opb.3:9.

Jezus die aangekondigd is met de noodzaak Hem te geloven. Dt.18:15-19; Hand.3:22-23, maakte door zijn priesterschap een noodzakelijke verandering der wet, naar de kracht van een onvergankelijk leven, in Jezus. Heb.7:11-17; 8:8-9.

Met de aankondiging van het Nieuwe Verbond in Jer.31: 31-34, heeft God het eerste verbond oud gemaakt, en dat stond zo voor de verdwijning. “Het was slechts een zinnebeeld en schaduw der hemelse dingen.” Heb. 8:5,13; 9:23; 10:1. Want Jezus vervult in Zichzelf als hogepriester en zijn offerande, de waarachtige hemelse tempeldienst. Vgl. Mat.12:6; Mar.14:58; Joh.2:19-21. Want Hij is; door zijn eigen bloed, eens voor altijd ingegaan in het heiligdom na een eeuwige verlossing verworven te hebben.” Heb. 9:8-12-26.

Het Oude Verbond is; “afgeschaft daar het zonder kracht en nut is. En heeft in geen enkel opzicht het volmaakte gebracht.” Heb.7:18-19. “Indien het eerste onberispelijk ware geweest, zou er geen plaats gezocht zijn voor een tweede.” Heb.8:7. “De wet is een tuchtmeester geweest tot Christus, opdat wij uit geloof gerechtvaardigd zouden worden.” Gal.3:24.

Indien het Nieuwe Verbond alleen voor het Joodse volk zou gesloten zijn, zoals beweerd is, dan is toch de werkelijkheid dat zij Christus Verbond verwerpen, door het voornemen terug te willen leven onder de wet van het Oude Verbond. Wanneer het christenzionisme met hen meegaat voor een herstel der offeranden van het Oude Verbond, verloochent zij daarmee eveneens het bloed van Jezus hogepriesterschap en zijn eeuwig Verbond.

De Joden hebben nu bijna tweeduizend jaar geen tempel meer, om volgens de eis van de wet de offers uit te voeren om de zonden te vergeven. Toen het voorhangsel in de tempel scheurde, heeft God daarmee aangetoond, dat men het hemelse heiligdom kan ingaan door het bloed van Jezus, langs de nieuwe en levende weg die Hij heeft ingewijd door het voorhangsel heen. Zie Heb.10:16-25. Dit bevestigd wat Jezus zei over de ware aanbidders. Dat zij niet te Jeruzalem of op een berg de Vader zullen aanbidden, maar dat de ure er toen reeds was, dat de waaracht­ige aanbidders de Vader zullen aanbidden in Geest en in waarheid. Joh.4:21-24; Flp.3:3. Door Jezus Nieuwe Verbond, met het volbrachte volmaakte offer van Zichzelf, is er geen letterlijke tempel of heiligdom meer nodig, nog het offeren van een rode koe of letterlijke offeranden.

Zie Hand.7:48-50; Mat.9:13; 1Pet.2:5; Ps.51:19.

De Gemeente van Christus is het vervulde voornemen van God door Jezus Christus.

Het is verwonderlijk dat velen niet inzien dat het ontstaan van de Gemeente Gods het voornemen van God was in Christus, van vóór de grondlegging der wereld. Men is blijkbaar onbekend met het feit dat God een nageslacht of volk beoogde en zocht, die met een bereidwillige geest God zoeken en door Gods Geest wedergeboren en vervuld worden, door Hem trachten te behagen als geestelijke zonen of kinderen Gods. Mal.2:15; Jak.4:5, 6; Joh.1:11-13; Gal.3:26-29. De Gemeente verdringt helemaal niet de plaats van het Joodse volk, maar God ziet ook niet naar iemands afkomst, “maar de Here ziet het hart aan,” het gelovige volk, “die wandelen in de voetstappen van het geloof dat onze vader Abraham in zijn onbesneden staat had.” 1Sam.16:7; Rom.4:1-12. Er kan geen sprake zijn van een vervangingsleer, Gods volk kan niet bestaan uit ongelovigen al zijn zij fysieke afstammelingen van Abraham. En bij God is ook geen aanzien van persoon. Wie ziet God aan? Zie Ps.15; 24:3-6; 51:19.

De Gemeente van Christus, is het Gods volk dat het beoogde eeuwige voornemen van God in Christus vervult en verder verkondigt in de wereld. Ef.3:10-11; 1Tim.3:15.

De apostel Paulus openbaart in Ef.1:3-14, wat de oorsprong en de heerlijkheid is van de Gemeente Gods met: “v.3- Gezegend zij de God en Vader van onze Here Jezus Christus, die ons met allerlei geestelijke zegen in de hemelse gewesten gezegend heeft in Christus.

v.4- Hij heeft ons immers in Hem uitverkoren vóór de grondlegging der wereld, opdat wij heilig en onberispelijk zouden zijn voor zijn aangezicht”.( De telkens terugkerend woordjes “ons, wij en gij”, bedoelen de apostelen met de gelovigen in de Gemeente Gods te Efeze, maar omsluiten natuurlijk ook alle gelovige lezers in Christus, aan wie Paulus schrijft.) “v.5- In liefde heeft Hij ons tevoren ertoe bestemd als zonen van Hem te worden aangenomen door Jezus Christus, naar het welbehagen van zijn wil, v.6- tot lof van de heerlijkheid zijner genade, waarmede Hij ons begenadigd heeft in de Geliefde. v.7- En in Hem hebben wij de verlossing door zijn bloed, de vergeving van de overtredingen, naar de rijkdom zijner genade, v.8- welke Hij ons overvloedig heeft bewezen in alle wijsheid en verstand”. (Aan Paulus en aan de andere apostelen, werd van Godswege dat geheimenis van Gods volk, de Gemeente geopenbaard.) “v.9-door ons het geheimenis van zijn wil te doen kennen, in overeenstemming met het welbe­hagen, dat Hij Zich in Hem (Christus) had voorgenomen, v.10- om ter voorbereiding van de volheid der tijden, (vgl.Gal.4:4) al wat in de hemelen en op de aarde is, onder één Hoofd, dat is Christus, samen te vatten.”(Zie Ef.1:22-23. Het kan niet ontkend worden dat Jezus het Hoofd is van zijn Gemeente, en dat Hij het voornemen van God van vóór de grondlegging der wereld vervult en bestemt ) “v.11-  in Hem, (Christus) in wie wij ook het erfdeel ontvangen hebben, waartoe wij tevoren bestemd waren krachtens het voornemen van Hem die in alles werkt naar de raad van zijn wil.”-“v.12- opdat wij zouden zijn tot lof zijner heerlijkheid, wij, die reeds tevoren onze hoop op Christus hadden gebouwd. (De Gemeente van Christus is zo het volk tot lof zijner heerlijkheid) v.13- In Hem zijt ook gij, nadat gij het woord der waarheid, het evang­elie uwer behoudenis hebt gehoord; In hem zijt gij, toen gij gelovig werdt, ook verzegeld met de Heilige Geest der belofte, v.14- die een onderpand is van onze erfenis, tot verlossing van het volk, dat Hij Zich verworven heeft, tot lof zijner heerlijkheid.” Vgl. Hand.20:28.

De Gemeente ontstond zo door en in Jezus Christus, “Want zijn maaksel zijn wij, in Chris­tus Jezus geschapen.” Ef.2:10. De Gemeente is Gods bouwwerk. “Gebouwd op het fundament der apostelen en profeten, In Hem wast elk bouwwerk, goed ineensluitend, op tot een tempel, heilig in de Heer, in wie ook gij mede gebouwd wordt tot een woonstede Gods in de Geest.” 1Kor.3:10; Ef.2:18-22; Heb.3:14.

De Gemeente Gods is het huis van Christus. Heb.3:4-6; 1Pet.2:5, 1-10; 2Kor.5:1. Dat de Gemeente van Christus het volk van God is verklaart Petrus met: “Gij echter zijt een uitverko­ren geslacht, een heilige natie, een volk Gode ten eigendom, (Deut.4:20.) om de grote daden te verkondigen van Hem, die u uit de duisternis geroepen heeft tot zijn wonderbaar licht: U, eens niet zijn volk, nu echter Gods volk. Eens zonder ontferming, nu in zijn ontferming. Vgl. Hos. 1:9-10; 2:22; Hand.26:17-18; Tit.2:14; Jes.42:16.

De Gemeente van Christus, heeft Joodse leraars. Daar de Gemeente gebouwd is op het fundament der apostelen en profeten met Jezus als uiterste hoeksteen. Jezus verklaarde dat Hij zijn Gemeente zou bouwen op de Rots die Hij is. Mat.16:16-20. Daar Jezus Gemeente gehoor­zaamheid aan de Heilige Schrift nastreeft, geloven en verkondigen zij wat de Joodse apostelen en profeten als Woord van God nalieten. Jezus is immers de leraar ter gerechtigheid. Joël 2:23; Joh.3:2. En Hij verzekert zijn Gemeente dat Hij met haar is tot het einde der tijden. Mat.16:18; 28:20. Uit al deze schriftplaatsen blijkt toch duidelijk wie bedoeld is met het volk Gods. Dat is toch de Gemeente van Christus, bestaande uit; tot geloof in Jezus Christus gekomen personen.

Gods volk is ook Sion, ook Israël, de hemelse stad Jeruzalem. Zij zijn ook de bedoelde rest of overblijfsel, genoemd in het Oude Testament, zoals we verder zullen aantonen uit de Schrift. Voor de komst van Jezus was het Joodse volk voorgesteld als een ontrouwe en ontuchtige vrouw, zodat Sion (het door God beoogde volk van zijn voornemen) onvruchtbaar was. Zie Jes.50:1; 54:1-8; 60 en 62. Maar nu door Jezus werk, is Sion de vrouw die, daar zij voorheen onvruchtbaar was, plotseling vele kinderen heeft verkregen.

Zie Jes.49:20-21; Vgl. Jes.66:7-11; Gal.4:21-27.

De verharding over Israël. Rm.11:25.

Wanneer Paulus schreef in Rm.11:1, 2, dat God zijn volk niet verstoten heeft en dat hijzelf een Israëliet uit het nageslacht van Abraham is, als bewijs dat God hem niet verstoten had, ondanks dat hij de Gemeente vervolgd had, zegt hij daarna; dat net zoals in Elia’s tijd, in de tegenwoordige tijd, er een overblijfsel is naar de verkiezing der genade. v.3-5. Deze verkiezing volgt uit de genade, na het tot geloof in Jezus komen, net zoals in Rm.4:16; 5:15-16. Maar indien het door genade is, dan is het niet meer uit de werken der wet; anders is de genade geen genade meer. Rm.11:6. En Israël zoekt nu eenmaal naar gerechtigheid uit een wet, maar heeft die niet verkregen: “Het uitverkoren deel heeft het verkregen en de overigen zijn verhard.” Rm.11: 7. Alleen bekeerden, het uitverkoren deel, ontvangen vergeving en rechtvaardiging wegens hun geloof in Christus. Zie Rm.3:21-31. Wegens ongeloof in Jezus zijn de meeste Joden verhard en zijn hun werken naar de wet, de aanleiding tot hun val. Zij aanvaarden niet, dat die wet hen geen gerechtigheid kan brengen. Zodat; “…hun gedachten werden verhard. Want tot heden toe blijft dezelfde bedekking over het voorlezen van het Oude Verbond zonder weggenomen te worden, omdat zij slechts in Christus verdwijnt. Ja tot heden toe ligt, telkens wanneer Mozes voorgelezen wordt, ligt een sluier over hun hart. Maar telkens wanneer iemand zich tot de Here bekeerd heeft, wordt de bedekking weggenomen.” 2Kor.3:6-18.

Door de zonde van hun ongeloof kwam Jezus heil ook tot de volken, om Joden tot jaloers­heid op te wekken. Rom.10:19-21; 11:11-12-15; Dt.32:21. Zoals eertijds afvallig Israël God ontrouw werd door de afgoden der volken te volgen en zo een rechtmatige jaloersheid veroor­zaakte bij God, geeft God nu zijn heil ook aan de volken door hen geloof en genade te schenk­en, zodat Hij ook aan hen zijn trouw zal bewijzen die Hem geloven, waardoor afvallig Israël zoals God tot gerechte jaloersheid kwam, nu ook zij tot jaloersheid zouden komen en zo mogelijk tot bekering zouden komen.

Hun overtreding en verlies, “bracht zo rijkdom over de wereld, bracht de verzoening der wereld. Hoeveel te meer hun volheid.” Rm.11:12b. Dit verwijst naar de verkregen volheid in Christus ingeval van hun bekering. Want wat zal hun aanneming anders zijn dan leven uit de doden, (Rm.11 :15b) verwijst zo dan naar hun opstanding uit de doden en de gave van de Heilige Geest bij iedere bekeerde. Ez.37:1-6. De Schrift leert: dat de onbekeerden Joden als afgehakte takken beschreven zijn wegens hun ongeloof, maar die op de saprijke stam van de edele olijf terug ingeënt kunnen worden, indien zij tot geloof in Jezus komen, net zoals de afgebroken takken van de wilde olijf die tegen hun natuur in, daarop ingeënt werden door het geloof in Jezus. God heeft het Joodse volk niet verstoten, ook zij kunnen indien zij willen, terug ingeënt worden. Rm.11:23. Paulus vervolgt zijn schrijven met; dat het heil aan alle volken in Gods voornemen besloten was, (Gal.3:8) een geheim was, dat hij nu openbaart als: “Dat er voor een deel over Israël verharding is gekomen totdat de volheid van de volken is ingegaan. Rm.11:25. Een deel, dwz, een overblijfsel. Niet alle Joden waren ongelovig en of bleven verhard. (bvb. de apostelen en de vele gemeenten van Christus in Judea.)

Hun verharden ging ook samen met het uitvoeren van Gods voornemen tot de vervulling van Christus werk, lijden dood en opstanding. Zie Hand.2:22-23; 3:17-18; 4:27-28; Luk.24:25-27; 23:34; 1Tim.1:13. Maar ook voor de tot geloof gekomen volken, (die als takken van de wilde olijf, tegen hun natuur in ingeënt werden), nu eveneens hun volheid in Christus verkre­gen, wegens de ontvangen ontferming en genade van God, zodat, op deze wijze, (aldus, in gr. houtos.) heel Israël, ttz. de bekeerde Joden en de bekeerde volken behouden worden. Rm.11:25. Dat is de volheid der heidenen, omdat zij Christus aannamen, hebben zij nu even­eens deel aan de beloften Gods. Want God had in zijn voornemen zowel de volken als de Joden onder het ongeloof besloten, om zo aan allen ontferming te tonen. Rom.11:29-32; Gal.3:22. Met andere woorden; De verharding duurt zolang als de duur van iemands ongeloof in Jezus Christus.

Uit Christus volheid, (dit is; Jezus heilbrengende genadegaven, bvb.de gave van de H.Geest) hebben alle gelovigen ontvangen. Joh.1:16. De vervulling van Jezus werk op aarde is de volheid des tijds. Gal.4:4; Ef.1:10. En ontvangen de gelovigen, “de maat van de wasdom der volheid van Christus”. En hebben zij; “…de volheid verkregen in Hem”. Col.2:10; 1Thes.1:5. Met de komst van Jezus Christus begint de volheid des tijds, wordt openbaar dat het beloofde Nieuwe Verbond een zaak is van geloof in Jezus, en dat God nu de wetten in het verstand geeft en ze in de harten schrijft door de Heilige Geest. Heb.8:8-13.

Het Israël dat behouden wordt.

Uit de Schrift blijkt dat het begrip Jood en Israël tweeledig is. Enerzijds Jood of Israëliet zijn, op grond van fysieke afstamming. Het andere is het geestelijke begrip zoals; “Want niet hij is een Jood, die het uiterlijk is, en niet dát is besnijdenis, wat uiterlijk, aan het vlees geschiedt, maar hij is een Jood, die het in het verborgen is, en de ware besnijdenis is die van het hart, naar de Geest, niet naar de letter. Dan komt zijn lof niet van de mensen, maar van God”. Dt.30:6; Rm.2:17-29; Opb.2:9; 3:9. “Wij zijn de besnijdenis, wij die God dienen door de Geest van God.” Flp.3:3.Vgl. Col.2:9-12. “Immers, de besnijdenis is niets, maar ook het onbesneden zijn is niets, maar het onderhouden van de geboden Gods”. 1Kor.7:19; Gal.5:6; 6:15-16.

Het geestelijk Jood of van Israël te zijn bij God, geldt voor degenen die de beloften aan Abraham zullen ontvangen. (Gal.6:16) Sinds Christus, de wedergeborenen, die ontstonden uit water en Geest. Joh.3:5. Paulus schreef: “Want niet allen die van Israël afstammen, zijn Israël en zij zijn ook niet allen kinderen, omdat zij nageslacht van Abraham zijn, maar; door Izaak zal men van nageslacht van u spreken. Dat wil zeggen; “niet de kinderen van het vlees zijn kinde­ren Gods, maar de kinderen der beloften gelden als nageslacht.”Rm.9:6-8. Zij zijn het ware geestelijke nageslacht van Israël. Gal.3:7-14; 4:28. Aan hen is de gave van de Heilige Geest gegeven. Jezus maakt dit ook duidelijk in Joh.8:31-44, waarmee Hij verwijst naar de twee zonen van Abraham. Deze beelden enerzijds de ongelovige Joden uit, die zijn slaven wegens hun zonden, al zijn zij Abrahams nageslacht. Neh.9:36; Gal.4:1-7, 21-31. Anderzijds, de vrije zoon, die staat voor de kinderen der belofte, die wegens hun geloof in Jezus, vrijgemaakt zijn van zonden door de Zoon des mensen. Zoals Izaak de beloofde zoon van Abraham is, zijn de kinderen der beloften het volk dat op grond van geloof in Jezus Christus ontstaat. “Ons die Hij ook heeft geroepen, niet alleen uit de Joden, maar ook uit de volken; Zoals Hij ook in Hoséa zegt: Ik zal niet-mijn-volk mijn volk noemen, en de niet-geliefde geliefde; En het zal zijn op de plaats waar tot hen gezegd werd: U bent mijn volk niet, daar zullen zij zonen van de levende God worden genoemd. Rom.9:24-26, 27-29; Hos.2:22; 1:10-12. Gods volk is het gelovige nageslacht uit Abraham, zowel uit de Joden als de gelovigen uit de volken, zoals God aan Abraham beloofd had; “En met u zullen alle geslachten van de aardbodem gezegend worden.” Gen.12:2-3; 18:18. Zie Heb.2:16-18. En zij maken dan ook deel uit van het ware geestelijke Israël. Uit al deze schriftplaatsen is het toch duidelijk, dat het fysieke Jood zijn, geen waarde heeft indien zij niet zich bekeren tot Christus, en waarvan ook het Oude Testament spreekt in de profeten. Dt.18:19; Jes.10:22-23; 11:4b-5; 2Thes.2:8. Wanneer Paulus schreef: “Zo kennen wij dan van nu aan niemand naar het vlees. Indien wij al Christus naar het vlees gekend hebben, thans niet meer. Zo is dan wie in Christus is een nieuwe schepping: het oude is voorbijgegaan, zie het nieuwe is gekomen.” 2Kor.5:16-17. Dan zegt hij dat iemands fysieke of vleselijke afkomst voor Christus van geen belang meer is, maar wat wel van belang is, dat men een nieuwe schepping in Christus is of wordt.
Een nog krachtiger voorbeeld daarvan geeft Paulus in de beschrijving van zichzelf in de brief aan de Fillipenzen 3:3-11. Paulus; “uit het volk Israël, besneden op de achtste dag, van de stam Benjamin, een Hebreeër uit de Hebreeërs, naar de wet een Farizeeër, naar de wet onberis­pelijk”. Maar dat palmares van zijn vleselijke afkomst, wat in zijn voordeel en als een winst was en bij de Joden een reden van op vlees te roemen; “heeft hij om Jezus wil schade geacht, omdat de kennis van Christus Jezus, zijn Here, dat alles te boven gaat. En om zijnentwil heeft hij dit alles prijsgegeven en houdt het voor vuilnis, opdat hij Christus moge winnen en in Hem moge blijken niet een eigen gerechtigheid uit de wet te bezitten, maar de gerechtigheid door het geloof in Christus, welke uit God is op grond van het geloof. Dit alles om Hem te kennen en de kracht van zijn opstanding en de gemeenschap aan zijn lijden, of hij, aan zijn dood gelijk-vormig wordende, zou moge komen tot de opstanding uit de doden.”  Paulus roemt dus niet over zijn afkomst als Jood, maar verwijst naar de Heilige Israël, die voor hem de ware gerech­tigheid voor God bracht wegens het geloof in Hem. Gal.2:19-21. Zie Jes.12; 30:8-15.

Er is geen onderscheid.

Het is verwonderlijk op welke wijze het christenzionisme tracht onderscheid te maken in het volk van God. (Het is zoiets zoals de Jehovagetuigen met hun klassenleer.) Aanvankelijk bestond de Gemeente van Christus alleen uit bekeerde Joden. Aan hen werd het eerste het heil in Christus bekend gemaakt wegens de beloften van God aan Abraham. Maar de Schrift leert bij de bekering van Cornelius; “omdat er bij God geen onderscheid van persoon is, dat elk volk, degenen die Hem vrezen en gerechtigheid werken, Hem aangenaam is”. Hand.10:34-36. En opdat zij allen volmaakt tot één zouden zijn. Ef.2:11-22; Joh.17:20-23.

Petrus leert: “En God die de harten kent, heeft getuigd door hun de Heilige Geest te geven, evenals ons, zonder onderscheid te maken tussen ons en hen, door het geloof hun harten te reinigen”. Hand.15:8-9. En; “Thans is echter buiten de wet om gerechtigheid Gods openbaar geworden, waarvan de wet en de profeten getuigen, en wel gerechtigheid Gods door het geloof in Christus, voor allen die geloven; want er is geen onderscheid.” Rom.3:21-22. En;   “Want er is geen onderscheid tussen Jood en Griek. Immers één en dezelfde is Heer over allen, rijk voor allen, die Hem aanroepen; want: al wie de naam des Heren aanroept, zal behouden worden”. Rom.10:12-13. En; “Want gij zijt allen zonen van God, door het geloof in Christus Jezus. Want gij allen die in Christus gedoopt zijt, hebt u met Christus bekleed. Hierbij is geen sprake van Jood of Griek, van slaaf of vrije, van mannelijk en vrouwelijk: gij allen zijt immers één in Christus Jezus. Indien gij nu van Christus zijt, dan zijt gij zaad van Abraham, en naar de belofte erfgenamen.” Zie Gal.3:26-29. En; “… de nieuwe mens aangedaan hebt, die vernieuwd wordt tot  volle kennis naar het beeld van zijn Schepper, waarbij geen onderscheid is tussen Griek en Jood, besneden of onbesneden, barbaar of Scyth, slaaf of vrije, maar alles en in allen is Christus.” Col.3:10-11, 12, 15; 1Kor.12:13; Ef.4:4.

De Gemeente van Christus en het Joodse lijden.

Hebben de Gemeenten van Christus ooit het Joodse volk doen lijden of benadeeld? In de Schrift is daar geen enkel voorbeeld van gevonden. Integendeel, de Joden hebben christenen vervolgd. Jezus liefdegebod is voor iedere ware christen doorheen de tijden gevolgd. Christe­nen zegenen, zelfs hun vijanden. 1Kor.4:12; Rom.12:14. Men mag niet vervloeken, Lk.6:28. Wie zijn broeder haat is in de duisternis. 1Joh.2:11. Wie zijn broeder niet liefheeft blijft in de dood. 1Joh.3:14. Jezus leerde de andere wang te tonen: “Als u mijn geboden bewaart, dan zult u in mijn liefde blijven.” Joh.15:10. En; “maar als iemand de Geest van Christus niet heeft, die behoort Hem niet toe.” Rom.8:9; Mat.7:21-23.

Alle beschuldigingen van vervolgingen tegen de Joden, door ‘christenen’ en hun kerklei­ders, daarvan moet helaas gezegd worden dat zij dan nooit het evangelie van Christus gevolgd of gekend hebben. Jezus liefdegebod kan immers niet misverstaan worden. Het ongeloof der Joden is in hoofdzaak de oorzaak van hun lijden. “Mijn God zal hen verwerpen, omdat zij niet naar Hem geluisterd hebben; en zij zullen dolende zijn onder de volken”. Hos.9:17; Zie ook; Dt.28:37; Jer.29:18-19; 24:9-10; Ps.44:12-15. Hoe waar zijn deze profetieën  tot op heden!

De beschuldiging gericht aan de Gemeente van Christus, dat zij de Joden hebben doen lijden of benadeeld hebben, is een grove leugen. De Schrift waarschuwt; wie zal de uitverkorenen van God beschuldigen? God is het die rechtvaardigt; wie is het die oordeelt? Rom.8:33; 14:4.

Is de Joodse natie nog Gods volk?

De Joden werden door de middelaar Mozes en eerst bij de verbondsluiting, Gods uitverko­ren volk. Dt.4:37; 7:6,7-8;  Ex.24:1-8. Zij werden Gods volk, niet wegens hun morele en zedelijke kwaliteiten, daar God wist dat zij een hardnekkig en weerspannig volk waren. Ex.33:3, 5; Dt.31:27. Maar werden wegens de beloften en de eed van God aan de vaderen uitverkoren. Dt.9:1-5-8; Gen.17:7-8. Bij de verbondsluiting verbonden zij zichzelf maar ook hun nageslacht ertoe, om alle geboden en inzettingen der wet strikt na te leven met een oprecht hart. Ex.24:3-8; 34:27; Dt.5:1-3, 27; 6:1-9, 20-25.

Bij de verbondvernieuwing, (Dt.29) werd voorspeld dat het volk het verbond zou verlaten, en verbreken. Dt.29:19-21, 25; 31:16,20. Ook werd gesteld, dat er een profeet en middelaar zoals Mozes zal komen; en hetgeen die profeet zal zeggen, zijn woorden die God Hem in zijn mond zal leggen, waardoor degenen die Hem niet gehoorzamen, rekenschap zullen geven.. Dt.18:15-19; Jes.51:16; Joh.1:46; Hand.3:23; 7:37. Jezus is nu deze profeet, Hem gehoorzamen behoort bij de zegen. De vloek over land en volk, bij ongehoorzaamheid indien men afdwaalde tot het boze en afgoden ging aanbidden. Zie Dt.11: 26-28; 30:11-20.

Betekent dit dat zij na hun val niet meer Gods volk zijn? Naar afstamming zijn ze nog de geliefden, en dragers der beloften, maar naar de Geest zijn zij dat niet; “…zij waren weerspan­nig en bedroefden Gods Heilige Geest.” Jes.63:10; Ps.78:38-41; 95:9-11!; Hand.7:51. Ondanks hun handelen verstootte God hen nog niet omwille der vaderen. 2Kon.13:23; Jer.29:11-14. De apostel Paulus stelt dat God zijn volk niet verstoten heeft. Rm.11:1. Wil dat zeggen dat zij daarom behouden zijn? Het zal afhangen wat zij bij leven zullen gaan doen in hun afdwaling. Heb.9:27. Uit Lev.26:38-45; Jer.17:14, blijkt toch, dat God hen wil vergeven, maar dit zal eerst zijn bij berouw, bekering en geloof, want: “En het zal ons tot gerechtigheid zijn, wanneer wij heel dit gebod naarstig onderhouden voor het aangezicht van de Here, onze God, zoals Hij ons geboden heeft.” Dt.6:25.

Van Abraham weet men dat hij geloofde in de Here, en deze rekende het hem tot gerechtig­heid. Gen.15:6; Rm.4:3; Gal.3:6; Jak.2:23. “Met Abraham zullen alle volken der aarde geze­gend worden; want Ik heb hem gekend, opdat hij gebieden zou, dat zijn zonen en zijn huis na hem de weg des Heren zouden bewaren door gerechtigheid en recht te doen, opdat de Here aan Abraham vervulle wat Hij over hem gesproken heeft.” Gen.18:19. Zie Dt.6:1-9; 4:6-10,20;

Ex.19:5-6. Maar indien men God verlaat, dan wordt men door God verworpen. Dt.32:15-19, 23-30, 32-35. Zij zijn dan, zijn volk niet meer, maar aan Gods volk en knechten zal God recht doen en Zich over hen ontfermen. Dt.32:36; Ps.135:14. Een volk dat zijn verbond met God verlaat en zich niet wenst te bekeren, zou God nog naar hen omzien? Zie Dt.29:19-28.

Iedere mens is voor God een zondaar, en zelf verantwoordelijk voor zijn zonden. Ez.18.

De Schrift stelt; “Vervloekt is ieder die niet volhardt in alles wat geschreven staat in het boek van de wet, om dat te doen. En dat door de wet niemand voor God gerechtvaardigd wordt, is duidelijk, want de rechtvaardige zal, op grond van geloof leven. Maar de wet is niet op grond van geloof, maar hij die deze dingen gedaan zal hebben, zal door deze dingen leven.” Gal.3:6-14; Dt.27:26; Hk.2:4; Lev.8:5. Daar niemand op grond van de wet zich kan rechtvaar­digen bij God, en God beschikt heeft dat Hij alleen zal rechtvaardigen op grond van geloof, zullen alleen gelovigen de zegen ontvangen, de ongelovigen blijven onder de vloek. “Door bekering en rust zoudt gij verlost worden, in stilheid en vertrouwen zou uw sterkte zijn, maar gij hebt niet gewild”. Jes.30:8-17. Uit de geschiedenis van Israël is het toch duidelijk dat God het ongelovige deel van Israël telkens verworpen heeft. Zie 2Kon.17:7-20, 23; 21:14-15; 1Sam.8:7; 1Kron.28:9; Ps.53:2-6. Onbekeerde zondaren zijn verworpen. Jes.2:6-9; 5:24, het huis van Jakob verworpen. Jeremia schreef in de hoofdstukken één tot zes, over het trouwelo­ze en ontuchtige volk dat weigerde zich te bekeren. “Verworpen zilver noemt men hen, want de Here heeft hen verworpen”. Jer.6:19, 30; 15:1-9; 17:1-4, 13. “…omdat zij mijn kennis verworpen hebben, verwerp Ik hen, …zal ook Ik uw zonen vergeten.” Hos.4:6.

Jezus leerde: “Dat Hij zijn leven aflegt om zijn schapen, (de Joden) en dat Hij nog andere schapen heeft die niet van deze stal zijn; en dat Hij ook die moet toebrengen, en zij zullen één kudde met één Herder worden”. Daarbij horen ook, zoals bvb, in de brief aan de Hebreeën beschreven geloofshelden .(hfdst.11) Abel, Henoch, Noach en alle anderen die door God gerechtvaardigd zullen zijn. Vgl. Heb.11:40. De Schriftplaatsen waar een overblijfsel of een rest genoemd zijn in verband met de beloften van God, daaruit blijkt dat hun verlossing door de Heilige Israëls ontstaat, nm. Jezus, wegens bekering en oprecht geloof in Hem. Jes.10:20-23; 11:11-16; 12; 37:32; 41:8-20; 61:1-9; 62; Jer.24:6-7; 31:1-9, 27-30, enz. “Een rest”, geeft ook aan dat het geen massale bekering zal zijn. Jer.3:14-15.

De dagen vanaf Jezus komst, zijn “de laatste dagen”, is immers de tijd dat God naar het Joodse volk omzag. Want; “Hij heeft zijn volk bezocht en er verlossing voor bewerkt, en Hij heeft een hoorn van behoudenis voor ons opgericht in het huis van zijn knecht David…” Ps.18:3; Luk.1:67-73; 2:29-32; Zie, Jes.42:6; 46:8-13; 49:6-7.

Het Joodse volk riep bij Jezus binnentreden van Jeruzalem toen nog wel: “Gezegend Hij die komt in de Naam van de Heer. In de hemel vrede en heerlijkheid in de hoogste hemelen”, maar nadien hebben velen niet erkend wie in hen midden was. Luk.19:41-44. Jezus weende niet over de fysieke stad Jeruzalem, maar over haar inwoners, de stad geldt als beeld voor heel de natie, zoals ook in Mat.23:37-39. De natie die God heeft willen samenbrengen, “doch zij hebben niet gewild.“ En; ”De wereld heeft Hem niet gekend. Hij kwam tot het zijne, en de zijnen hebben Hem niet aangenomen.” Joh.1:11. Waardoor; “hun huis aan hen werd overgelaten,” omdat onbekeerd Israël zijn Koning verwerpt. Zie Jer.12:7, 8-17; Mat.23:38.

Jezus leert in de parabel van de tien ponden hetzelfde. Het oordeel heeft Jezus toen reeds uitgesproken over allen die op gelijke wijze Hem verwerpen: “De vijanden van mij evenwel, die niet wilden dat Ik over hen regeerde, brengt ze hier en slacht ze in mijn bijzijn af.” Lk.19:11-14-27. Zie Mat.10:11-15; 22:1-14.

Het christenzionisme ontkent de noodzaak dat de Joden zich heden moeten bekeren tot Christus, zoals geboden in Deut.18. Hiermede ontkennen zij het evangelie van Jezus en dat Hij de Messias is. Nog steeds is Jezus woord geldig: “Dat er blijdschap in de hemel zal zijn over één zondaar die zich bekeert, meer dan over negenennegentig rechtvaardigen die geen bekering nodig hebben.” Lk.15:7. De aanhangers van het christenzionisme zouden toch moeten weten dat zonde vooraleer die vergeven wordt, eerst verzoend moet worden bij God: “Dat zowel de Grieken als de Joden, dat zij allen onder de zonde zijn zoals geschreven staat… en dat al wat de wet zegt tot hen spreekt die onder de wet zijn, opdat de gehele wereld strafwaardig worde voor God…” Rom.3:9-20. Daarvoor is Jezus gekomen, als het volmaakte zoenoffer voor de zonden. Dit gegeven is fundamenteel, willen zij deel hebben aan de beloften van God aan Abraham. Thema Romeinen 3, 4 en 5.

Om zich te bekeren tot Christus, daarvoor is geen letterlijk duizendjarig rijk voor nodig, maar alleen geloof in de Schrift die het Koninkrijk Gods openbaart. Er moet niet opnieuw op een Messias gewacht worden, die toch reeds gekomen is om door zijn offer de zonde weg te doen, en; veler zonde op Zich nam, en het werk voleindigd heeft dat de Vader Hem opdroeg.             Het belangrijke beginsel van geloof hebben in Jezus, zoals het Nieuwe Testament dat leert, wordt door het christenzionisme ontkend, daar tot geloof komen eerst ontstaat, uit het willen horen en geloven in overeenstemming met het Godswoord, (Rom.10:17) God zal  geloof niet opleggen, dmv. allerlei wonderen. Zalig zij die geloven zonder te zien. Tot geloof komen ontstaat uit de vrije keuze van iemands geest in het willen aanvaarden van het geopenbaarde geloof en omdat men God wil lief hebben. Zie Rm.10:6-13. Mensen zijn geen robots, die op een plotseling bevel zullen geloven. “Wij hebben niet de geest der wereld ontvangen, maar de Geest uit God, opdat wij zouden weten wat God ons door zijn genade schenkt.” 1Kor.2:12. De Schrift leert niet dat er nog een massale bekering der Joden zal plaatsvinden voor de dag van Jezus terugkomst. Immers alle Schriftplaatsen in verband met de terugkomst van Jezus, verhalen ten eerste; het verkrijgen van het eeuwige heil der gelovigen, en daarna volgt het oordeel over allen die Jezus evangelie niet aanvaard hebben. 1Pet.4:17; 2Thes.1:8. Immers Christus is geopenbaard aan de wereld. En Hij gaf zijn zendingsbevel aan zijn Joodse discipelen; “Maakt alle volken tot mijn discipelen… En Hij waarschuwde: “Wie een oor heeft , die hore!” De Schrift laat er geen twijfel over bestaan dat er geen uitstel van bekering kan zijn, immers;  “Heden indien gij Zijn stem hoort verhardt uw harten niet”.Heb.3; 4; Heden, is vandaag, op deze dag, tot nu toe, niet morgen of in de toekomst. Ps.95:6-11.

De Heilige Schrift leert; “Ten tijde des welbehagens heb Ik u verhoord en ten dage des heils ben Ik u ter hulp gekomen; zie, nu is het de tijd des welbehagens, zie, nu is het de dag des heils”. 2Kor.6:1-2; Jes.49:8. Tot voor de dag van Jezus komst kunnen de levenden zich nog bekeren, maar daarna niet meer. Immers: “Jezus is éénmaal, bij de voleinding der eeuwen, verschenen om door zijn offer de zonde weg te doen. En zoals het de mensen beschikt is, éénmaal te sterven en daarna het oordeel, zo zal ook Christus, nadat Hij Zich éénmaal geofferd heeft, om veler zonde op Zich te nemen, ten tweede male zonder zonde aanschouwd worden, door hen die Hem tot hun heil verwachten.” Heb.9:26-28.

Jezus openbaart hetzelfde in de parabels. Bvb. deze van Mat.13: 36-43. De gelovigen leven nog temidden van het onkruid. De oogst zijn de kinderen van het Koninkrijk, maar de engelen zullen uitgezonden worden om uit het koninkrijk te verzamelen al het onkruid van ongeloof. Of de parabel der ponden, waar de vijanden van Jezus die niet wilden dat Hij koning over hen was, bij zijn komst zullen gedood worden. Luk.19:11-27; Mat.22:1-14; Hand.17:30-31.
Maar nog steeds roept God. “En de Geest en de bruid zeggen, Kom! En wie het hoort, zegge: Kom! En wie dorst heeft die kome, en wie wil, neme het water des levens om niet”. Opb.22:17. Zie Ef.3:10-11; 1Tim.3:15-16.

“Wie wijs is, geve op deze dingen acht; wie verstandig is erkenne ze. Want de wegen des Heren zijn recht: rechtvaardigen wandelen daarop, maar de overtreders struikelen er.” Zie Hos.14:2-10.

Blijf op de hoogte als we nieuwe artikelen posten.

Wij spammen niet! Lees onze privacy beleid voor meer info.

Scroll naar boven
Wij gebruiken cookies om u de best mogelijke ervaring op onze website te bieden.
Door deze site te blijven gebruiken, gaat u akkoord met ons gebruik van cookies.
Accept
Reject