In het boek Openbaring 4:8b staat: “Heilig, heilig, heilig is de Here God de Almachtige die was en die is en die komt.” En in Lev11:2, 44-45, zegt de Heer tot het volk Israël: “Weest heilig, want Ik de Heer uw God ben heilig.” Dit vers wordt later ook door de apostel Petrus als aanmaning gebruikt voor de christenen: 1Pet.1:16
Met deze studie wil ik aantonen dat het woord “heilig” in de H. Schrift veel omvat.
Waarom moet men zich heiligen? Hoe kan dat gebeuren? Is heilig zijn zoiets wat velen beschouwen dat men daarvoor eerst moet sterven? Kan men dan wonderen doen, zelfs nadat men overleden is? Is heilig zijn iets waardoor men meer verdiensten heeft bij God dan de andere gelovigen?
Wanneer de H. Schrift leert: “Weest heilig, want Ik uw God ben heilig;” Dan geldt dit niet alleen de priesters, maar ook voor het gehele volk. Ex.22:31; 19:6; Deut.7:6.
De H. Schrift roept op, om heilig te zijn voor God. Hij bepaalt wie of wat heilig is en maakt scheiding tussen het heilige en het onheilige. Lees Jes 6:1-6.
Duidelijk wordt dat bij de zonen van Aaron, wanneer zij het onheilige met het heilige trachten te vermengen. Lev10:1-3; Ex.19:22.
De bepalingen voor de priesters waren streng. Lev10:8-11; 21:5-6, 8. Want het is God die de priesters heiligt. Alle priesters moesten handelen volgens de voorschriften van hun wijding en van de erediensten die bepaalden wat heilig is. Helaas werden vele priesters ontrouw aan God.
God heeft bij monde van Ezechiël de priesters verweten dat zij de heilige dingen ontwijden door geen onderscheid meer te maken tussen wat heilig is en het onheilige, tussen wat rein is en wat onrein is. Ez.44:23, 9-23.
Veelvuldig wordt in de H. Schrift aangetoond, dat heiliging en onreinheid, mekaars tegenpolen zijn. De tegenpool van het heilige is onreinheid. Het gaat daarbij niet zozeer om vuile klederen, wat uiterlijk is, maar om het innerlijke. Iemands innerlijke is het dat bepaalt wanneer men rein of onrein is, of men heilig is of onheilig. Jezus leert: “Wat uit de mond uitgaat dat verontreinigt de mens en dat komt voort uit het hart… Boze overleggingen, moord, echtbreuk, hoererij, diefstal, leugen, godslasteringen zijn de dingen die een mens onrein maken.” Mat.15:11, 18-20.
De toewijding die naar het goddelijke uitgaat zal leiden tot heiliging van onze geest. Indien men God niet heilig acht dan eert men iets of iemand die onheilig is. Paulus schreef: “… dat men niet aan de tafel des Heren kan deelnemen en aan de tafel der boze geesten. Of willen wij de Heer tot jaloersheid verwekken? Zijn wij soms sterker dan Hij?” 1Kor. 10:14-22.
Het heilige voor iedere christen gelovige is uiteraard God Almachtig en Jezus Christus. Luc.1:49; Joh.6:69. God is het die ons roept tot zijn heiligheid. Daarom moeten wij zelf heilig worden in ons zijn en handelen. Het heilig worden vat aan bij het geloof in Jezus.
Wij achten Hem heilig wanneer wij tot God naderen in ons bidden, en zien uit naar de heiliging door zijn Geest die Hij ons wil schenken. Het N T. begrip van heilig, sluit aan bij het O T., maar openbaart het nieuwe, dat de gelovige door Jezus bloed geheiligd wordt voor God. Voorheen stonden de priesters tussen het volk en God en werden zij geheiligd tot reinheid naar het vlees door het bloed van de offerdieren. Heb.9:13-14. (= wegens het onvolmaakte van deze offers.)
Het NT leert dat al die voorwerpen voor de eredienst en al de offeranden zinnebeelden waren van de werkelijkheid die zou komen, namelijk Jezus Christus. Heb.10:1b. Vroeger waren in het tabernakel twee ruimten. Een daarvan was het heilige, dit was de plaats waar iedere dag de gewone priesters kwamen om de offeranden te brengen en het onderhoud deden van de zevenarmige kandelaar, het reukofferaltaar en de tafel met de broden. De andere ruimte was het heilige der heilige genoemd, afgeschermd door een voorhangsel. Daar kwam slechts éénmaal in het jaar alleen de hogepriester om eerst zichzelf voor God te verzoenen en daarna die voor het volk te doen. De betekenis daarvan is dat de weg naar het ware heiligdom toen nog niet open of bekend was zolang de eerste tabernakel nog stand hield. Heb.9:6-14, 22-24. Verdergaand in de brief aan de Hebreeën, staat dat Jezus door de offerande van Zichzelf de ware hogepriester is, na een eeuwige verlossing verworven te hebben, (Heb.10:7-10, 14) en het ware tabernakel in de hemel is ingegaan. En zo het beloofde nieuwe en eeuwige verbond tot stand bracht. Jezus heeft zo de levende weg ingewijd tot het ware tabernakel of het heiligdom. Heb.10:19-25. Wanneer iemand God heilig acht, dan zal deze zich gaan heiligen, door het geloof in Jezus. Dat geldt ook in het beschouwen en de verhouding die men heeft t o v. de H. Schrift, waaruit de praktische levensheiliging ontstaat wegens het geloof in God en zijn Woord.
In het Ex.29:37 staat: “Ieder die het altaar aanraakt zal heilig zijn, opdat Ik in hun midden wone. Ik ben de Here uw God.” vs. 42-46. Iedere priester die het altaar of het offer aanraakte, werd heilig. Lev.6:18; 16:27. Maar in het OT kon en mocht het volk dit niet doen. Onbevoegden mochten dat niet aanraken of er van eten. De doodstraf stond er op. Lev.22:10, 13; Num.1:51; 3:10; 3:38; 18:4, 7. Maar met Jezus kwam het volmaakte. Hij bracht betere dingen dan de aardse. Heb.9:22-23.
Wat is de betekenis daarvan? De heiliging, het heilig zijn, staat steeds in de H.Schrift in de betekenis, dat men zichzelf of iets afzondert tot de exclusieve eredienst aan God en de aanbidding. Heiliging bestaat er dus in het heilige, dat is God, heilig te beschouwen en te behandelen. Men nadert tot God met de heilige middelen van de eredienst. Men kan niet met iets onheilig het heilige dienen. Men bediende zich in het OT met stoffelijke dingen die het geestelijk hogere en volmaakte heilige uitbeelden, want God is Geest. Jezus leerde dat de ware aanbidders aanbidden zullen in Geest en waarheid. Joh.4:24: Ef.6:18: Jd.20.
Door het offer van Jezus vervallen de offeranden der dieren, maar omdat de gelovigen door Jezus van zonden vrij en geheiligd worden door zijn bloed, Heb.10:10, 14 gaan zij vrijmoedig door het voorhangsel, dwz. Jezus, in het heiligdom als priesters Heb.10:19-20; 6:19. En zo wordt het heilig zijn der gelovigen, onverbrekelijk verbonden met Jezus heiligend hogepriesterschap, waarin zij priesters werden. 1Pet.2:5, 9; Opb.1:6; 5:10; 20:6; Jes.61:6; Ex.19:6.
De doop, het bad der wedergeboorte, bracht ons in Christus gemeente. God heeft hierbij, de gave van de Heilige Geest beloofd, waardoor de Heilige Geest in ons gaat wonen en worden onze lichamen als het ware tempels met de H. Geest. 1Kor.3:17; 6:19-20; Ez.42:15-20. De heiliging wordt zo door Christus voltrokken aan ons. In Christus ligt het onderscheid wat heilig is en wat niet heilig is. Petrus noemt de gelovigen een heilige natie, Gods volk, en als heilige priesters. Hij roept op tot een heilige wandel. 2Pet.3:11. Immers, men behoort zichzelf niet meer toe, door eigendom te worden van Hem die ons gekocht heeft door zijn bloed.
In de tempel van ons lichaam zijn wij de priesters die Gode heilige dienst bewijzen door geestelijke offeranden te offeren. Maar daarom moeten wij onze lichamen ook heilig houden, het heilige heilig achten, dwz. toegewijd, bestemd voor, of afgezonderd tot de dienst aan God.
In de Heb.13:13-14, staat de oproep om uit te gaan uit de legerplaats en Jezus smaad te dragen. Want wij hebben hier geen blijvende stad, maar wij zoeken de toekomstige. Ook de apostel Paulus roept op om niet vast te houden aan het onreine. Lees 2Kor.6:14-18; 7:1. En om onberispelijk te zijn. Ef.1:4: 5:26. De diepere reden daarvoor vinden wij in: “Wie het altaar aanraakt zal heilig zijn.” Ex.29:37. Jezus leert ook, dat het altaar de gave heiligt.
Mat.23:19. Wanneer in de brief aan de Hebreeën staat: “ Wij hebben een altaar waarvan zij die de tabernakel bedienen, geen recht hebben te eten…” (Heb.13:10-16) Dan verwijst m i. dit altaar naar het ‘altaar’ Jezus, die ons geheiligd heeft door zijn bloed, (vs 12) net zoals bij de priester die het altaar aanraakte in het Oude Verbond. Als Jezus buiten de poort geleden heeft, en buiten de legerplaats zijn bloed vergoten heeft, dan ziet dit op zijn Nieuw Verbond dat breekt met het Oude Verbond, door uit te gaan van de legerplaats. (Vergelijk met Mat.21:38-39. “… En wierpen Hem buiten de wijngaard en doodden Hem.”).

In de gemeenschap met de H. Geest, en bij het houden van de Tafel des Heren, naderen wij Hem en raken wij Hem aan op een spirituele wijze, daar dit onze gemeenschap met het lichaam en het bloed van Jezus Christus is. 1Kor. 10:14-22; 9:13; Opb.11:1
Daarom is m i. dat deze moeilijke tekst verwijst naar de diepe waarde die de Tafel des Heren heeft, waardoor niet gelovigen geen recht hebben om daaraan deel te hebben. Zij onderscheiden ook niet ‘het Lichaam des Heren.’ 1Kor.11:27-29. In de vergelijking met het Oude Verbond, daar mocht het heilige dat de priesters behandelden, ook niet aangeraakt worden door het onbevoegde volk. Maar omgekeerd geldt dan eveneens, dat de geheiligde gelovigen van het Nieuwe Verbond niet mogen deelnemen aan de drinkbeker van de demonen en aan de tafel van de demonen. Onze gebeden zijn de vrucht onzer lippen, een lofoffer die door Jezus tot God gaan. Eveneens de weldadigheid en de mededeelzaamheid, zijn de offers waarin God een welbehagen heeft. Geestelijke offeranden die voor God aangenaam zijn door Jezus Christus. 1Pet.2:5.
In verband met de gestelde vragen aan het begin van dit artikel moet ik zeggen dat ik in de H. Schrift nergens heb kunnen lezen dat men reeds overleden moet zijn om heilig te kunnen zijn .
Of dat een college van personen daarover zou kunnen beslissen…
Nergens heb ik een voorbeeld gevonden waaruit blijkt dat het aanroepen of bidden tot overleden personen, buiten Jezus Christus, toegelaten is.
Uit vergelijk en studie blijkt dat het heilig zijn ontstaat door het gelovig worden in Jezus Christus, met als gevolg dat Jezus bloed de gelovige heiligt. De gelovige zal van dan af zich door het evangelie laten leiden om een heilig leven te leiden en zich zo heiligt voor God.
De H. Schrift maakt onderscheid tussen heilig zijn naar de geest en heilig zijn naar het lichaam, maar dat zij moeten samengaan. 1Kor.3:16-17; 7:34; 6:19-20. Ook: “Moge de God van vrede Zelf u geheel en al heiligen en moge uw geest en ziel en lichaam onberispelijk worden bewaard bij de komst van onze Heer Jezus Christus. Hij die u roept is getrouw; Hij zal het ook doen.” 1Thes.5:23; 2Thes.2:13; 2Kor.7:1.
Iedere gelovige christen wordt in de Schrift een heilige genoemd, het is een genadegave van God.
Nergens heb ik een voorbeeld gevonden dat in de gemeente van Christus er sommige gelovigen zouden zijn die heilig waren en anderen niet.
Daarom broeders zusters, streef ernaar om heilig te zijn voor God. God geloven is een heilige zaak; in Hem te eren, te aanbidden en liefhebben. “Dit wil God: uw heiliging…” Lees 1Thes.4:3-7. “Jaag naar de vrede met allen en naar de heiliging, zonder welke niemand de Heer zal zien.” Heb.12:14.
Moge deze genadegave met u allen zijn door Jezus Christus onze Heer. Amen.
Lees ook ons artikel over Er is maar één evangelie!





