De oorsprong van het kwaad

Wanneer men een niet-christen benaderd en verteld over het evangelie van Jezus dan krijgt men soms een boze reactie. Met zegt dat God niet bestaat omdat Hij niets doet aan het schreeuwende wereldwijde onrecht, aan het kwaad en het lijden dat plaatsvindt.
Sommigen stellen God hiervoor verantwoordelijk, omdat Hij niet zou omzien naar zijn lijdende kinderen. Zij zeggen dit soms niet alleen wegens hun ongeloof, maar ook om de gelovige zijn geloof in God te kleineren of te beschamen. Maar indien men beweert dat God niet bestaat dan kan men ook niet het kwaad aan God toeschrijven. Dan geldt de vraag van hoe het kwaad ontstaan is en waarom er dan zoveel kwaad en lijden is in de wereld. Noch de wetenschappelijke, noch de filosofische beschouwingen hebben de oorsprong van het kwaad kunnen verklaren. Kijk maar naar het wereldwijde toenemende en onbeheers­bare geweld met de steeds achterop hinkende rechtspraak. Dit ondanks de massale geldmiddelen besteed aan preventie, gevangenissen, politie en rechtsmiddelen.

 

Waar komt het kwaad vandaan?

Er is een bron die wél de reden en oorzaak van het kwaad beschrijft en dat is de Bijbel, het Woord van God. De waarheid van de Bijbel geldt als het zekere, fundamentele rechtsmiddel van God dat zal oordelen. Joh.12:48. Want indien er geen zekerheden zijn, dan hebben de dingen die we om ons heen zien geen betekenis meer. Er moet een fundament zijn, anders zijn er geen zekere waarden of moraal meer. Als er geen zekerheden zijn boven de ideeën der mensen dan is er geen instantie die recht kan spreken tussen mensen en groepen die met mekaar in strijd zijn over de morele beoordeling van het leven. Met andere woorden, in strijdige meningen worden wij dan aan ons lot overgelaten. (lees ook ons artikel Het Begint met allemaal met jou !)


Wanneer men het kwaad toeschrijft aan God dan is men naar Gods Woord onbe­kend met Gods gerechtigheid.


De Schrift leert: “Laat niemand, als hij verzocht wordt, zeggen: Ik word door God verzocht. Want God kan niet door het kwaad verzocht worden en Hijzelf verzoekt niemand.” Zie  Rom.10:3; Jak.1:12-15.

De Bijbel leert: “Elke goede gave en elk volmaakt geschenk daalt van boven neer, van de Vader der lichten, bij Wie geen verandering is of schaduw van omkering.” Jak.1:17. Vgl. Num.23:19. God wil het goede voor iedereen en bewijst zijn goedheid reeds aan allen, onge­acht van wat men is of doet. Jezus leert: “Hij laat het regenen en de zon schijnen voor de goeden en de bozen.”; en ook: “God is lankmoedig, en wil niet dat iemand verloren gaat, maar dat allen tot bekering komen.”  Mat.5:43-45; 2Pet.3:9; 1Tim.2:3-4. Wat wil God dan wel?

Lees Ef.2:1-10; Titus 3:3-7.

Als de men zich echter niet wil bekeren, noch tot de kennis der waarheid willen komen en het kwaad verkiezen, dan zal hen eens het oordeel van God te beurt vallen. Israël werd reeds door Mozes gewaarschuwd: “…Ik houd u heden het leven en het goede voor, maar ook de dood en het kwade..” Deut.11:26-28; 30:15. Hetzelfde zegt Jezus in Joh.5:28-29. In de H. Schrift vindt men veel voorbeelden van oordelen die God over het kwaad heeft uitgevoerd. Het kwaad van een persoon, van een groep of een volk die omkomen door het kwaad van een natuurramp, oorlog, ziekte of gebeurtenis, dit als een oordeel van God. Bvb. De zondvloed, de ondergang van Sodom en Gomora. vgl. Mat.10:15; 11:20-24; 2Pet.2:6-9.
De betekenis van deze oordelen zijn: “opgetekend als voorbeelden en als waarschuwing voor ons; opdat men geen lust tot het kwade zouden hebben.” Rom.15:4; 1Kor.10:6, 11. De H.Schrift leert: “Heden indien gij zijn stem hoort, verhard uw harten niet.” Zie Heb.3:7-8; 4:7. Vers 11: “…Laten wij ons beijveren in die rust in te gaan, opdat niemand valt volgens hetzelfde voorbeeld van ongehoorzaamheid.” Wanneer God oordeelt, dan is dat rechtmatig. Hij is immers God, de soevereine en ware Rechter over de mensen.

Zijn oordelen zijn zonder aanzien van persoon en Hij zal de niet verzoende zonden veroor­delen. De Schrift leert: “De ziel die zondigt zal sterven.” Ez.18:4, 20, 23-24, 31-32. Maar wanneer men zich bekeert, dan wil God graag vergeven. Ps.107:10-22.

Aan de profeet Jesaja verkondigde God: “Ik ben de Here, en er is geen ander die het licht formeer en de duisternis schep, die het heil bewerk en het onheil schep; Ik de Here doe dit alles…” Jes.45:6-7. De mensen zouden daarom Gods komend oordeel over het kwaad moeten vrezen. Zij zouden Gods raad moeten kennen. Immers: “Geschied er een ramp in een stad zonder dat de Here dit bewerkt? Voorzeker, de Here HERE doet geen ding, of Hij openbaart zijn raad aan zijn knechten, de profeten.” Amos 3:6-7.
Dit verwijst naar de profeten van God die de raad of de wil Gods verkondigden met de oproep om zich te bekeren. Spr.8:14; Jes.11:2; 28:26, 29; Hd.20:27. Maar ook indien zij zich niet zouden bekeren het oordeel van God zullen ondergaan. Vgl. Jer.25; Jes.24. De H. Schrift leert overvloedig om ondanks het kwaad in de wereld, steeds het goede te doen.

In de Bijbel vindt men de beschrijving van het kwaad in de mensen, anderzijds het kwaad van de oordelen Gods. Het onderscheid tussen beide begrippen is dat het kwaad der mensen onrechtmatig is, want God gebiedt dat de mensen elkaar moeten liefhebben. God kan en zal wel beproeving toelaten, dit is het lijden of het kwaad toelaten om het geloof te beproeven. Zie 1Pet.4:15-19. Het kwaad van Gods tuchtiging is rechtmatig. Zij heeft het rechtmatige doel om door tucht, de weg Gods te leren en het zaligmakende geloof in Jezus Christus te beproeven. Jak.1:12; Heb.12: 5-11; Luk.8:13; Rom.5:3-5; Gal.3:22.

Heeft God de duivel geschapen?

Maar de factor die het kwaad van de mensen als oorzaak heeft is de duivel. Zeer veel mensen beschouwen het geloof in de duivel als bron van het kwaad, als iets van vroeger, dat wat achterhaald is. Deze mensen zeggen misschien wel dat zij in “iets” geloven, wat zij god heten. Maar bij navraag wat zij ermee bedoelen dan blijkt het een vage voorstelling te zijn zoals een natuurkracht of iets dat verweven is met allerlei filosofische en of mythische voorstel­lingen. Het is een geloof dat geen rekening houdt met Gods Woord.

Heeft God een duivel geschapen? Het antwoord hierop is neen. Omdat God op geen enkele wijze kan vereenzelvigd worden met het kwaad. God heeft de duivel niet geschapen maar deze werd de duivel door eigen toedoen. Satans werk van bedrog leidde ook tot afval onder de engelen. Jud.6; Opb.12:7, 9; Mat.25:41. De duivel treed in de Bijbel de eerste maal op als een slang die eerst Eva verleidde en die op haar beurt Adam verleidde tot zonde. Gen.3:1-6.

Over de voorgeschiedenis van het ontstaan van de duivel zijn slechts twee schriftplaatsen die hierover in indirecte zin aanwijzingen geven. De eerste is waarin aan de koning van Babel eigenschappen toegeschreven worden die in feite niet aan een mens toegedicht kunnen worden in letterlijke zin.  Zie Jes.14:3-4, 12-15. De koning van Babel deelt in de eigenschappen van iemand die morgenster en zoon des dageraads genoemd wordt. Israël, wegens hun ongeloof en afval, is enerzijds letterlijk in gevangenschap van de koning van Babel gegaan maar is in geestelijke zin daardoor in gevangenschap aan wie de koning van Babel zelf onderworpen was: de duivel. Babel heeft in de Schrift de betekenis gekregen van het volk en of de wereld­machten die overheerst zijn door ongeloof en het kwaad van de duivel. Zie Opb.18.

De tweede tekst, zie Ez.28:13-16. Hierin geldt hetzelfde principe: de koning van Tyrus wordt vergeleken met iemand die eens een bijzondere cherub was, die in de aanvang vanaf zijn schepping onberispelijk was, zelfs in Eden aanwezig was. Maar later toen hij onrecht bedreef, verbannen werd. Ook hier deelt de koning van Tyrus eigenschappen met iemand die geen mens is. Van deze twee schriftplaatsen wordt vrij algemeen aangenomen dat deze leren dat de duivel eens een bijzondere engel was die in de aanvang onberispelijk was maar later Gods tegenstander werd door zijn hoogmoed. Hij kreeg de naam satan, wat wil zeggen, Gods tegenstander, aanklager, slang, lasteraar, vader der leugen, en mensenmoordenaar.  Ps.109:6; Job 1:6-12; 2:1-4; 1Kr.21:1; 2Thes.2:3-4; Joh.8:44.

De zonde van Adam veroorzaakte niet alleen de lichamelijke dood voor alle mensen maar ook “dat de zonde in de wereld kwam, en daardoor de dood.” Zie Rom.5:12, 14. De dood die hier nu  bedoeld wordt, is de eeuwige dood niet de lichamelijke. Zij ontstaat door de zonde. Zij is niet het resultaat van een zgn erfzonde maar ontstaat door het overtreden van de wet Gods en wegens de leugenmacht van de duivel.

“De zonde heerst als koning door de dood. Rom.5:21.” Wil zeggen dat alle mensen in de H.Schrift wegens hun zonden als dood worden aanzien. Rom.2:1-16; 3:9-20.  De duivel wordt daarom dan ook de overste van de wereld genoemd. Joh.12:31; 14:30; 16:11; “satan die de hele wereld verleid.” Opb.12:9; Ef.2:2-3; 1Joh.5:19.

Zo dringt zich de noodzaak op om te weten of men ook onder de heerschappij van de duivel staat. Jezus die het wonder van het evangelie waar maakte, zei tot Paulus: “…Ik zend je om hun ogen te openen, opdat zij zich bekeren van de duisternis tot het licht en van de macht van de satan tot God.” Lees Hd.26:15-18.

Bent u in het licht of in de duisternis?

De gelovigen worden kinderen van het licht genoemd. Joh.12:36. De ongelovigen daarente­gen kinderen der duisternis.  “…Het volk dat in duisternis zat, heeft een groot licht gezien, en voor hen die zaten in het land en de schaduw van de dood, hun is een licht opgegaan.”. Dit met met de komst van Jezus Christus en nadat Johannes de Doper overgeleverd was, Mat.4:12-17; Lk.1:79. Jezus verklaart dat Hij het licht der wereld is. Lees Joh.8:12.

Johannes de Doper verkondigde van Jezus: “In Hem was leven, en het leven was het licht van de mensen. En het licht schijnt in de duisternis, en de duisternis heeft het niet begrepen.” Joh.1:4-5. Hij verklaart verder: “dat hij was gezonden om van het licht te getuigen, het waar­achtige licht dat in de wereld komt, en ieder mens verlicht.” Vers 7-9. Johannes leert: “Wie de zonde doet is uit de duivel, want de duivel zondigt van de beginne. Hiertoe is de Zoon van God geopenbaard, opdat Hij de werken van de duivel zou verbreken.” 1Joh.3:8.

Jezus Christus is het die verlost uit de macht van de duisternis, de duivel. Col.1:13. En Petrus openbaart: “…Hij riep ons uit de duisternis, tot zijn wonderbaar licht,..” 1Pet.2:9.

Moge deze schriftplaatsen u overtuigen dat het evangelie dat Jezus en zijn apostelen predik­ten, dat de onbekeerde, de kinderen der duisternis zijn. Gevangenen van de duivel, of van de antichrist, Gods tegenstander. Of slaven der zonde. Zie Joh.8:34-36; 2Pet.2:19; Rom.6:16-23. De duivel tracht iedereen te overtuigen dat de leer van Jezus ofwel te moeilijk is om volgen, of niet de waarheid is, of dat de leer van Jezus niet zo wit zwart is zoals zij leert. Maar Johan­nes schreef: “En dit is het oordeel, dat het licht in de wereld is gekomen, en de mensen hebben de duisternis meer liefgehad dan het licht, want hun werken waren boos. Want ieder die kwade dingen bedrijft, haat het licht en komt niet tot het licht, opdat zijn werken niet aan de dag komen; maar wie de waarheid doet gaat tot het licht, opdat van zijn werken blijke, dat zij in God verricht zijn.” Joh.3:17-21; zie 8:47. Gaan naar de waarheid, kan niets anders zijn als gaan naar het overgeleverde Godswoord in de H.Schrift. Lees 1 Joh.4:1-6.

Het is blijkbaar voor velen moeilijk om dit in te zien, maar het is een feit dat de H. Schrift het zo stelt; Ofwel behoort men toe aan Christus ofwel behoort men toe aan de duivel, die de hele wereld verleidt. Vgl. Rom.8:9; 1Joh.4:1-6; 5:19-21.

Jezus zei tot het ongelovige joodse volk: “Waarom kent u mijn spraak niet? Omdat u mijn woord niet kunt horen. U bent uit uw vader, de duivel, en wilt de begeerten van uw vader doen; die was een mensenmoorder van de beginne af en staat niet in de waarheid, omdat geen waarheid in hem is. Wanneer hij de leugen spreekt, spreekt hij uit het zijne, omdat hij een leugenaar is en de vader ervan.” Joh.8:43-44.

Jezus woorden verstaan is Jezus woord als waarheid aanvaarden en er van uit gaan dat dit het Woord en de wil van de Vader is, want deze staat tegenover de leugen van de duivel.

De Bijbel waarschuwt: “De duivel doet dwalen.” Mat.13:39; Luk.8:12; Joh.13:2. “Geeft de duivel geen voet.”; “Men moet stand houden tegen de verleidingen van de duivel.”Ef.4:27; 6:11. Petrus noemt de duivel onze tegenpartij. 1Pet.5:8;


Wanneer men mij zou vragen: “waarom is er zoveel kwaad in de wereld?” Dan is mijn ant­woord: Door de leugenmacht van de duivel of satan die de mensen aanzet tot het kwaad en nog steeds zeer velen bedriegt dat leidt tot ongeloof.


Wanneer men het kwaad in de wereld ervaart dan is dit het gevolg van dat het hart van de mensen die toebehoren aan de satan, waarvan Jezus zei: “Want uit het hart komen boze overleggingen, moord, echtbreuk, hoererij, diefstal, leugenachtige getuigenissen, godslasteringen.” Lees Mat.15:19; Mrc.7:21-23.

Verandering

De Bijbel leert hoe een gelovige in Christus veranderd, een nieuwe mens wordt in ware gerechtigheid en liefde tot de naaste, naar het beeld van zijn Schepper. Col.3:10. Door het geloof in Jezus wordt men opnieuw geschapen maar nu door Jezus Christus. 2Kor.5:17; Gal.6:15; Ef.2:15; 4:24. Jakobus verklaart: “…Naar zijn wil heeft Hij ons voortgebracht door het woord der waarheid…” Jak. 1:18.
Jezus, de wortel Davids, heeft de satan overwonnen. Opb.5:5; Joh.16:33. Zodat door het geloof in Jezus men ook de satan overwint. Men wordt zelfs medeoverwinnaar met Jezus Christus. Rom.8:37; 1Joh.2:13, 14; 5:4-5; 12:11.
De strijd die aanving in Eden, tussen het zaad van de vrouw en het zaad van de slang, is beslecht door Jezus Christus. Het is de strijd van het goede, de liefde van God, die het kwaad overwint door het geloof in het goede van God, en daardoor God zal rechtvaardigen door zijn geloof. Het zaad van de vrouw zijn degenen die tot het licht Christus gaan opdat van hun werken blijken dat zij in God verricht zijn. Het zijn degenen die uit God wedergeboren werden. Joh.1:12-13. Het zaad van de slang zijn degenen die nog in duisternis zijn of kinderen van de duivel.

Broeders, zusters, laat u niet door het kwaad overwinnen maar overwin het kwaad door het goede. Rom.12:21. “Want laat hij die het leven wil liefhebben en goede dagen zien, zijn tong van kwaad weerhouden en zijn lippen van het spreken van bedrog; laat hij zich afkeren van het kwade en het goede doen.” 1Pet.3:10; Ps.34:12-17.

Moge de genade van onze Heer Jezus en de liefde Gods en de gemeenschap van de H. Geest  u daarbij helpen.

Blijf op de hoogte als we nieuwe artikelen posten.

Wij spammen niet! Lees onze privacy beleid voor meer info.

Geef een reactie

Scroll naar boven
Wij gebruiken cookies om u de best mogelijke ervaring op onze website te bieden.
Door deze site te blijven gebruiken, gaat u akkoord met ons gebruik van cookies.
Accept
Reject